Boek Bijdehande blauwoogige dolsters

Bijdehande, blauwoogige dolsters: Onmisbare schakels in de Friese beugvisserij van de 19de eeuw. Auteur: G.I.W. Dragt. 2011. Rijk geïll., 84 pp.

Bijdehand en blauwoogig, zo werden de jonge dolsters van Wierum omschreven in een krantenartikel uit 1893, kort na de stormramp die het dorp trof. En de bevolking van het eigenaardige dorp werd getypeerd als onbedorven en hoogst sympathiek. De auteur waande zich in een andere wereld en dat was het misschien ook wel. De vissersdorpen in het noordoosten van Fryslân, met name Wierum en Moddergat, bevonden zich op de rand van een nieuwe tijd. Veel zeer oude tradities zouden na 1900 verdwijnen. Daar hoorde ook het opgraven (dollen) van wadwurmen bij door vissersvrouwen die hun rokken verruild hadden voor een broek. Voor een maatschappij, die het nog niet gewend was dat vrouwen de broek aan hadden, was het beeld van dolsters op het wad een bron van verbazing. Dat was het op Ameland, want daar was een soortgelijke visserij, toen in 1734 de prins van Oranje Nassau er op bezoek kwam. Hij werd vergast op de aanblik van dolsters, in een zeer zeldzame en ongewone kleding uitgedost, met mansbroeken aan. En dat was het nog steeds rond 1900.

Dolsters groeven niet alleen de wurmen op, maar deden ze ook aan de haken in het kader van de zogenaamde beugvisserij op schelvis en kabeljauw. Dat was een in heel Nederland en ook daarbuiten gebezigde vorm van visserij, waarbij gebruik werd gemaakt van een kilometerslange lijn die al zeilend op de zeebodem werd neergelaten. Aan die lijn zaten, als knijpers aan de waslijn, korte dwarslijntjes met een haak, strikken of sneuen genaamd. De sneuen werden door de vissers zelf gedraaid op bijzondere apparaatjes die in het Fries koustermoune genoemd werden. Deze mini-lijnbanen, waarvan maar een handvol is bewaard gebleven, staan samen met de dolsters centraal in dit boek. Beide onmisbare schakels in de Friese beugvisserij.

0 sterren gebaseerd op 0 beoordelingen